Van Brent tot aan de pomp — hoe een vat ruwe olie een liter benzine wordt, en hoe snel de prijzen volgen
Op 6 oktober 2026 kostte een liter ruwe olie 70 cent tegen de Brent-spotprijs, een liter EU-benzine op 5 oktober € 2,01. Rekensom, eurokoers en doorwerking.
Op 6 oktober 2026, de laatste dag in het EIA-bestand, was de Brent-spotprijs (EIA) $ 125,44 per vat. Tegen de referentiekoers van de ECB van die dag, 1,1269 dollar per euro, is dat € 111,31 per vat. Een vat bevat 158,987 liter, dus een liter ruwe olie kwam uit op 70 cent. Het Wekelijks oliebulletin van de Europese Commissie voor maandag 5 oktober noemt voor het EU-gemiddelde een pompprijs van € 2,01 per liter benzine (Euro 95) en € 2,15 per liter diesel. Een jaar eerder, in het bulletin van 6 oktober 2025, kostte benzine € 1,62 en kwam een liter ruwe olie uit op 36 cent.
Dit artikel doet de rekensom, zet op een rij wat er tussen de ruwe olie en de pomp zit, laat zien wat de wisselkoers doet en vraagt hoe snel de pompprijzen volgen: wat de blog van ECB-economen en gepubliceerde studies vaststellen en wat de weekgegevens van deze site in afzonderlijke episodes laten zien. De productmix van raffinaderijen en crackspreads staan in Waarom diesel in Europa meer kost dan benzine; accijns en btw per land in Wat zit er in de prijs van een liter brandstof. De actuele waarde staat op de pagina over de Brent-olieprijs.
De rekensom van een vat
De woordenlijst van de EIA definieert een vat olie als „een volume-eenheid gelijk aan 42 Amerikaanse gallon”, oftewel 158,987 liter: de omrekeningstabel van het NIST geeft 1,589 873 × 10² liter.
De hier gebruikte prijs is de dagelijkse „Europe Brent Spot Price FOB” van de EIA in dollar per vat. De definitiepagina van de EIA beschrijft Brent als „een gemengde stroom ruwe olie uit het Noordzeegebied die dient als referentie of ‘marker’ voor de prijsstelling van een aantal andere stromen ruwe olie” en noemt Refinitiv, een onderneming van LSEG, als bron. Het is een spotprijs, niet de prijs van een futurescontract. Hierna heet die de Brent-spotprijs.
Voor een prijs per liter deelt u door de referentiekoers van de ECB (Amerikaanse dollar per euro) en vervolgens door 158,987. De ECB werkt de koersen doorgaans rond 16:00 uur CET bij op werkdagen, behalve op TARGET-sluitingsdagen; voor een dag zonder koers gebruikt dit artikel de laatste eerdere. Voor maandag 5 oktober 2026, de datum van het bulletin: $ 125,51 ÷ 1,1204 = € 112,02 per vat; € 112,02 ÷ 158,987 = € 0,705 per liter ruwe olie.
| Datum | Brent-spotprijs ($ per vat) | ECB-koers ($ per €) | Brent-spotprijs (€ per vat) | Ruwe olie per liter (€) |
|---|---|---|---|---|
| 6 oktober 2025 | 67,09 | 1,1678 | 57,45 | 0,361 |
| 5 oktober 2026 | 125,51 | 1,1204 | 112,02 | 0,705 |
| 6 oktober 2026 (laatste dag in het EIA-bestand) | 125,44 | 1,1269 | 111,31 | 0,700 |
Bron: EIA; referentiekoersen van de ECB; berekening van euroflation. 6 oktober 2025 en 5 oktober 2026 zijn de maandagen van de hieronder gebruikte bulletins van de Commissie.
Tegen de koers van 5 oktober 2026 is elke $ 10 op een vat 5,6 cent per liter ruwe olie:
| Brent-spotprijs ($ per vat) | Hetzelfde in € tegen 1,1204 | Ruwe olie per liter (cent) |
|---|---|---|
| 60 | 53,55 | 33,7 |
| 80 | 71,40 | 44,9 |
| 100 | 89,25 | 56,1 |
| 120 | 107,10 | 67,4 |
Een omrekenraster tegen de koers van 5 oktober 2026, geen waargenomen prijzen. Bron: berekening van euroflation.
Wat dit cijfer is. Het is een omrekening van een spotprijs: de prijs van een vat Brent op één dag, in euro en per liter. Het is niet wat een raffinaderij heeft betaald; dat hangt af van de kwaliteit, het vervoer, het moment van aankoop en de contractvoorwaarden, en deze rekensom kent daar niets van. Een liter ruwe olie wordt ook niet één liter benzine: in 2023 leverde een vat van 42 gallon in Amerikaanse raffinaderijen ongeveer 19,57 gallon afgewerkte motorbenzine, 12,47 gallon destillaatbrandstof en kleinere hoeveelheden kerosine en andere producten.
Wat er tussen de ruwe olie en de pomp zit
De ECB-blog van juli 2026, geschreven door ECB-economen die aangeven dat het hun eigen opvattingen zijn en niet per se die van de ECB, verdeelt de pompprijs in vijf delen: ruwe olie, raffinagekosten en -marges, distributiekosten en -marges, accijnzen en btw. Raffinagekosten en -marges worden „berekend als het verschil tussen de bijdrage van de prijzen van geraffineerde producten en de bijdrage van de prijzen van ruwe olie”. Distributiekosten en -marges „omvatten alle activiteiten tussen de raffinage en de eindverkoop van het product”.
Voor het EU-gemiddelde blijven, als u van de prijs zonder belastingen van de Commissie de ruwe olie per liter aftrekt, de raffinage- en distributiekosten en -marges samen over. De toelichting bij figuur 3 van de blog beschrijft dezelfde stap: „Raffinage- en distributiekosten en -marges worden berekend als het verschil tussen consumentenprijzen vóór belasting en prijzen van ruwe olie.”
| EU-gemiddelde per liter | Ruwe olie (omrekening spotprijs) | Rest vóór belasting | Belastingen (accijns, heffingen, btw) | Pompprijs | Ruwe olie als aandeel van de pompprijs |
|---|---|---|---|---|---|
| Benzine, 6 oktober 2025 | 0,361 | 0,340 | 0,919 | 1,620 | 22% |
| Benzine, 5 oktober 2026 | 0,705 | 0,371 | 0,931 | 2,006 | 35% |
| Diesel, 6 oktober 2025 | 0,361 | 0,388 | 0,789 | 1,538 | 23% |
| Diesel, 5 oktober 2026 | 0,705 | 0,620 | 0,824 | 2,149 | 33% |
Euro per liter. Bron: Europese Commissie, Wekelijks oliebulletin, EU-gemiddelden met en zonder belastingen; Brent zoals in de eerste tabel; berekening van euroflation. De delen worden afzonderlijk afgerond, dus een rij kan 0,001 afwijken van de som. De Commissie markeert haar EU-gemiddelden voor 2025 en 2026 als voorlopig, omdat ze voorlopige consumptiegewichten gebruiken die nog kunnen veranderen.
Tussen de twee data steeg het ruwe-oliedeel van een liter met 34 cent. Het deel tussen ruwe olie en belasting steeg met 3 cent voor benzine en 23 cent voor diesel; de belastingen stegen met 1 cent en 4 cent. De pompprijs steeg daarom in procenten minder dan de ruwe olie: ruwe olie met 95%, benzine met 24% en diesel met 40%. De blog legt uit dat accijnzen en btw samen „een groot, grotendeels vast deel van de prijs vormen”, zodat een bepaalde procentuele stijging van de prijzen van ruwe olie zich „aan het tankstation vertaalt in een veel kleinere procentuele beweging”. De verdeling van de belastingen per land staat in het artikel over de brandstofprijs, de raffinagemarges in het dieselartikel.
Volgens de blog bedroeg het aandeel ruwe olie sinds 2021 „gemiddeld ongeveer € 0,47 per liter diesel”, „met een bandbreedte van € 0,28 tot € 0,80”, en bereikte het in de eerste week van april 2026 € 0,73. De omrekening hierboven geeft voor de maandag van elke bulletinweek van de Commissie van 11 januari 2021 (de eerste bulletinweek van 2021 in het historiebestand) tot 20 juli 2026 gemiddeld € 0,47, met een bandbreedte van € 0,28 tot € 0,77. De ECB vermeldt haar omrekening niet, dus dit is een vergelijking en geen replicatie. Het EIA-bestand toont een dagpiek van $ 138,21 per vat op 7 april 2026, oftewel € 0,752 per liter.
Euro en dollar
De EIA-reeks staat in dollar, dus de prijs van een vat in euro kan anders bewegen dan de dollarprijs. Eén plus de verandering van de prijs in euro is gelijk aan één plus de verandering van de dollarprijs, gedeeld door één plus de verandering van het aantal dollar per euro; een lager aantal dollar per euro betekent een zwakkere euro.
| Periode | Brent-spotprijs in $ | $ per € | Brent-spotprijs in € |
|---|---|---|---|
| Maandgemiddelde van december 2004 tot maandgemiddelde van december 2005 | +43,5% | −11,5% | +62,1% |
| 3 juli 2008 (dollarhoogtepunt) tot 26 december 2008 (daaropvolgende dollarlaagtepunt) | −76,6% (143,95 naar 33,73) | −11,8% (1,5885 naar 1,4005) | −73,4% (90,62 naar 24,08) |
| 19 juni 2014 (dollarhoogtepunt van 2014) tot 20 januari 2016 (dollarlaagtepunt) | −77,4% (115,19 naar 26,01) | −19,9% (1,3620 naar 1,0907) | −71,8% (84,57 naar 23,85) |
| 31 december 2021 tot 13 juni 2022 (eurohoogtepunt) | +66,3% (77,24 naar 128,44) | −7,7% (1,1326 naar 1,0455) | +80,1% (68,20 naar 122,85) |
Procentuele verandering = eind ÷ begin − 1; de eerste rij gebruikt maandgemiddelden van dagwaarden. Bron: EIA, ECB; berekening van euroflation. De tabel zegt niet waarom de koers bewoog.
De eerste rij is te controleren aan de hand van een primaire bron. Het Maandbericht van de ECB van februari 2006 schreef dat de stijging van de prijzen van ruwe olie en aardgas in 2005 „versterkt werd door de waardestijging van de Amerikaanse dollar” en dat „in euro de prijs van ruwe Brent-olie in december 2005 62% hoger lag dan een jaar eerder”. Op basis van de EIA- en ECB-bestanden geven de maandgemiddelden 62,1% in euro en 43,5% in dollar.
De hoogste prijzen in het bestand vallen op verschillende dagen, afhankelijk van de valuta. In dollar is dat $ 143,95 op 3 juli 2008 (€ 90,62 tegen 1,5885). In euro is dat € 122,85 op 13 juni 2022 ($ 128,44 tegen 1,0455): de dollarprijs lag die dag 10,8% onder het hoogtepunt van 2008, terwijl de prijs in euro 35,6% boven zijn waarde van 3 juli 2008 lag. Van 6 oktober 2025 tot 5 oktober 2026 steeg de dollarprijs met 87,1% en de prijs in euro met 95,0%, doordat de koers van 1,1678 naar 1,1204 ging.
Hoe snel de pompprijzen volgen: wat de studies vinden
De blog van de ECB-economen, die ook het artikel over de brandstofprijs gebruikt, zegt dat de doorwerking in het algemeen „snel, binnen een of twee maanden, en volledig” is, en dat een stijging van de prijzen van ruwe olie met € 0,10 per liter zich „doorgaans vertaalt in een stijging van € 0,10 per liter van de pompprijzen vóór belasting”. Daarachter staan studies met gegevens van het eurogebied, die van verschillende prijzen uitgaan: de blog van ruwe olie, Meyler van olieprijzen, Occasional Paper 113 van de prijs van het geraffineerde product in Rotterdam. „Raketten en veren” is de naam voor de vraag of pompprijzen sneller stijgen dan dalen. De tabel geeft per bron de opzet en de bevindingen.
| Bron | Opzet | Wat wordt gemeld | Genoemde kanttekening of opmerking |
|---|---|---|---|
| Meyler, Energy Economics, 2009 (samenvatting gelezen) | Eurogebied en de eerste 12 leden, weekgegevens | „de doorwerking van olieprijzen verloopt snel, waarbij 90% binnen drie tot vijf weken plaatsvindt”; „weinig bewijs voor statistisch significante asymmetrieën” | Waar asymmetrie significant is, is ze „over het algemeen economisch niet significant”; weekgegevens zijn „de laagste frequentie die men zou moeten overwegen” |
| ECB Occasional Paper 113, taskforce van het Comité voor monetair beleid van het ESCB, 2010 (opvattingen niet noodzakelijk die van de ECB) | Landen van het eurogebied; wekelijkse prijzen van benzine vóór belasting uit het oliebulletin tegenover prijzen van geraffineerde producten in Rotterdam, 1994 tot 2008 | 50% doorgegeven binnen twee weken, 90% binnen drie tot zes weken; bij een stijging van 10 cent van de prijs van het geraffineerde product steeg benzine vóór belasting binnen twee weken met 6,0 cent en binnen vijf weken met 9,3 | „weinig economisch betekenisvolle asymmetrie” voor het eurogebied als geheel; enkele landen vertonen significante maar marginale asymmetrie; de verzameling op maandag kan de snelheid onderschatten |
| Artikelen van ECB-medewerkers (die OCP 113 en Meyler 2009 herhalen, waarnaar hun voetnoten verwijzen), 2018 en 2022 | Eurogebied en de landen daarvan | „bijna volledig binnen vijf weken”; „over het algemeen volledig en snel, doorgaans binnen 3-5 weken” | Het artikel van 2022 voegt eraan toe dat een stijging van 1% van de prijzen van ruwe olie de consumentenprijs van vloeibare brandstoffen na een jaar met ongeveer 0,31-0,34% verhoogt, omdat belastingen en marges niet met ruwe olie meebewegen (de blog maakt hetzelfde punt: volledig in euro per liter vóór belasting, kleiner in procenten) |
| Asane-Otoo en Dannemann, werkdocument van de Universiteit van Oldenburg, 2019 (samenvatting gelezen; de ECB-blog verwijst naar de gepubliceerde versie) | Duitsland, dagprijzen bij vrijwel alle tankstations, 2014 tot 2018 | „asymmetrische prijszetting is eerder de regel dan de uitzondering” | Aggregatie van tankstationgegevens over de tijd „kan leiden tot onjuiste conclusies en zou de tegenstrijdige bevindingen in de bestaande literatuur kunnen verklaren”. De gepubliceerde versie (The Energy Journal, 43(6), 2022) behandelt benzine bij 12.804 tankstations en zegt dat „het patroon van raketten en veren eerder de regel dan de uitzondering is” |
| Perdiguero-García, Energy Policy, 2013 (samenvatting gelezen) | Meta-analyse van studies naar prijsasymmetrie (niet beperkt tot het eurogebied) | „de grote variatie in de gerapporteerde uitkomsten maakt het moeilijk om definitieve conclusies te trekken” | Uitkomsten verschillen per segment van de sector, gegevens, jaren en controlevariabelen; „meer concurrentie kan de kans op asymmetrisch gedrag aanzienlijk verkleinen” |
Citaten komen uit de gelinkte bronnen. „Samenvatting gelezen” betekent dat alleen de samenvatting op de gelinkte pagina is gelezen; de ECB-teksten zijn gelezen op de aangehaalde passages.
Waar het bewijs sterk is en waar het zwak of gemengd is. Over de snelheid geven de bronnen voor het eurogebied cijfers van dezelfde orde, waarbij de latere de eerdere herhalen: het grootste deel van de doorwerking binnen drie tot zes weken in de oudere studies en ECB-artikelen, „binnen een of twee maanden” in de blog van 2026. Over de richting zijn ze het niet eens. Meyler en het document van de ESCB-taskforce vinden met weekgegevens voor het eurogebied als geheel weinig economisch betekenisvolle asymmetrie. De Duitse studie op tankstationniveau vindt dat asymmetrie de norm is. De blog vat samen dat eerdere studies voor het eurogebied geen asymmetrie vonden of niet doorslaggevend waren, en dat recenter onderzoek erop wijst dat de doorwerking bij dalingen trager kan zijn. De uitkomsten hangen af van het land, de periode en de frequentie van de gegevens, en geen van deze bronnen beslecht of pompprijzen in het eurogebied langzamer dalen dan ze stijgen.
Twee klassieke studies, over andere markten en van vóór de euro, vonden enige asymmetrie. Bacons studie over Britse benzine, met tweewekelijkse gegevens van 1982 tot 1990 (werkdocument van het Oxford Institute for Energy Studies, 1990; gepubliceerd in Energy Economics, 1991), stelt de gemiddelde vertraging op 4,38 perioden van twee weken bij een kostenstijging van 1 pence per liter en op 4,77 bij een kostendaling, „ongeveer een week langzamer bij de kostendaling”, een verschil dat „bij ongeveer een week niet groot genoeg is om de opvatting dat de Britse markt voor benzine in de detailhandel sterk concurrerend is, beslist te verwerpen”. In de werkdocumentversie van 1992 van hun Amerikaanse studie (Quarterly Journal of Economics, 1997) melden Borenstein, Cameron en Gilbert dat „vrijwel de hele reactie op een stijging van de prijs van ruwe olie binnen 4 weken in de pompprijs zichtbaar wordt, terwijl dalingen geleidelijk over 8 weken worden doorgegeven”, en noemen ze voorraadkosten of marktmacht als mogelijke verklaringen.
Hoe snel de pompprijzen volgen: wat de gegevens van deze site laten zien
Naast de „een of twee maanden” van de blog staan hier afzonderlijke episodes uit de bestanden achter deze site. Ze beschrijven die weken; ze zijn geen toets van de bevinding van de blog, ze stellen geen wet vast en ze kunnen niets zien wat korter is dan een week.
Methode. De EU-gemiddelden van de Commissie (Euro 95 en diesel) zijn op maandagen gedateerd en omvatten in de weken van 2014–16 het Verenigd Koninkrijk. Brent is de slotkoers van de EIA op of vóór die maandag, in euro per liter zoals hierboven. „Vóór belasting” is de prijs zonder belastingen van de Commissie. Voor elke uitslag wordt de eerste maandag met de hoogste of laagste waarde in een venster genomen, en het interval wordt vanaf Brent geteld.
| Episode | Brent (€ per liter) | EU-benzine vóór belasting | EU-diesel vóór belasting |
|---|---|---|---|
| Hoogtepunt 2014 | 0,527 op 16 juni 2014 | 0,689 op 7 juli 2014 (3 weken later) | 0,706 op 30 juni 2014 (2 weken later) |
| Laagtepunt 2015–16 | 0,158 op 18 januari 2016 | 0,367 op 15 februari 2016 (4 weken) | 0,357 op 15 februari 2016 (4 weken) |
| Eerste piek 2022 | 0,745 op 7 maart 2022 | 1,071 op 14 maart (1 week) | 1,211 op 14 maart (1 week) |
| Hoogtepunt 2022 | 0,773 op 13 juni 2022 | 1,232 op 13 juni (dezelfde week) | 1,299 op 27 juni (2 weken) |
| Voorjaarspiek 2026 | 0,696 op 6 april 2026 † | 1,024 op 25 mei (7 weken) | 1,299 op 6 april (dezelfde week) |
| Zomerlaagtepunt 2026 | 0,383 op 6 juli 2026 | 0,891 op 6 juli (dezelfde week) | 0,962 op 6 juli (dezelfde week) |
Euro per liter. Doorzochte vensters voor elke uitslag: 1 mei tot 29 september 2014; 28 september 2015 tot 28 maart 2016; 21 februari tot 18 april 2022; heel 2022; 2 maart tot 1 juni 2026; 8 juni tot 3 augustus 2026. De episodes en vensters zijn gekozen nadat de gegevens waren bekeken, en bredere vensters veranderen sommige intervallen (een venster van een jaar rond het hoogtepunt van 2014 legt het dieselmaximum in januari 2014). † 6 april 2026 was een feestdag zonder EIA-prijs, dus de slotkoers van 2 april ($ 127,61) is gebruikt. Bron: EIA, ECB, Europese Commissie; berekening van euroflation.
In 11 van de 12 vergelijkingen draaide de prijs vóór belasting binnen vier weken na Brent in euro, wat binnen de „een of twee maanden” van de blog valt. De uitzondering is benzine in het voorjaar van 2026, die nog zeven weken bleef stijgen nadat Brent was gedraaid, terwijl diesel in dezelfde week draaide; de gegevens zeggen niet waarom, want de prijs vóór belasting bevat naast ruwe olie ook raffinage- en distributiemarges. Het resultaat hangt er ook van af hoe de week wordt gedefinieerd: met het gemiddelde van de zeven dagen tot en met maandag in plaats van de slotkoers van maandag verschuiven de intervallen met maximaal drie weken, en in één episode (maart 2022, beide brandstoffen) draait de pompprijs twee weken vóór Brent. Over alle 594 veranderingen tussen opeenvolgende bulletinweken van de Commissie van januari 2015 tot oktober 2026 (15 daarvan over een overgeslagen feestdagweek) is de correlatie tussen de verandering van Brent in deze week en de verandering van de EU-prijs van benzine vóór belasting k weken later 0,36 bij k = 0, 0,58 bij k = 1, 0,16 bij k = 2 en 0,12 bij k = 3 (diesel 0,34, 0,58, 0,15, 0,10). Een correlatie toont gezamenlijke beweging, niet hoeveel van een verandering wordt doorgegeven. Het document van de taskforce haalt ook een studie aan waaruit blijkt dat er op maandag minder prijswijzigingen plaatsvinden, omdat de markten in Rotterdam in het weekend gesloten zijn, zodat een maandagprijs weinig van het nieuws van het weekend bevat.
Voor de uitslag van 2026 zet de tabel de EU-gemiddelden naast de uitspraak van de ECB-blog dat een stijging van de ruwe olie met € 0,10 zich „doorgaans vertaalt in een stijging van € 0,10 per liter van de pompprijzen vóór belasting”.
| Maandag | Brent (€ per liter) | EU-benzine vóór belasting | EU-diesel vóór belasting |
|---|---|---|---|
| 23 februari 2026 | 0,384 | 0,712 | 0,781 |
| 6 april 2026 | 0,696 | 0,997 | 1,299 |
| 6 juli 2026 | 0,383 | 0,891 | 0,962 |
| Verandering, 23 februari tot 6 april | +0,313 | +0,285 | +0,518 |
| Verandering, 6 april tot 6 juli | −0,313 | −0,106 | −0,337 |
Euro per liter; Brent voor 6 april is de slotkoers van 2 april. Bron: EIA, ECB, Europese Commissie; berekening van euroflation.
Van 23 februari tot 6 april steeg benzine vóór belasting met 28 cent en diesel met 52, tegen 31 voor ruwe olie. Van 6 april tot 6 juli daalde diesel vóór belasting met 34 cent en benzine met 11, tegen 31 voor ruwe olie. Op 6 juli stond Brent op zijn niveau van 23 februari, terwijl de prijs vóór belasting voor beide brandstoffen 18 cent hoger lag; de ECB-blog meldt voor de eerste drie weken van juli raffinagemarges dicht bij het record. De marges bewogen in deze weken net zo goed als de ruwe olie, dus de tabel kan het effect van ruwe olie niet isoleren, en het is één episode, geen toets van de bevinding van de blog of van de vraag over dalende prijzen.
Zo leest u de actuele cijfers
- Het is de spotprijs van de EIA. De pagina over de Brent-olieprijs toont de Brent-spotprijs van de EIA, niet de prijs van een futurescontract.
- Het is geen realtimeprijs. De spotprijstabel van de EIA toonde een publicatiedatum van 7 oktober 2026 en een volgende publicatie op 15 oktober 2026, dus de nieuwste waarde kan een week oud zijn of ouder. Vergelijk hem met de pompprijs van dezelfde maandag.
- Dollar of euro. De waarde in euro gebruikt de ECB-koers van dezelfde dag, of de laatste eerdere. Een zwakkere euro verhoogt de prijs van een vat in euro zonder dat de dollarprijs verandert.
- Cent per liter. Deel de prijs van een vat in euro door 158,987; tegen de koers van 5 oktober 2026 is $ 10 op een vat 5,6 cent op een liter ruwe olie.
- Ruwe olie is niet de pompprijs. Raffinage, distributie, accijns en btw komen erbovenop, en uit een vat komen meerdere producten. Actuele pompprijzen staan op de pagina met brandstofprijzen, de benzineranglijst en de dieselpagina voor het eurogebied.
Kort samengevat
- Een vat is 158,987 liter. Op 5 oktober 2026 kwam de Brent-spotprijs uit op 70 cent per liter ruwe olie, 35% van de € 2,01 voor een liter EU-benzine; een jaar eerder 36 cent, 22% van € 1,62. Het is een omrekening, niet wat een raffinaderij heeft betaald.
- De prijs van een vat in euro is niet de dollarprijs. Van 31 december 2021 tot 13 juni 2022 steeg die met 80% in euro tegen 66% in dollar.
- De blog van ECB-economen vindt de doorwerking naar de pompprijs vóór belasting snel en volledig, in het algemeen „binnen een of twee maanden”; oudere studies voor het eurogebied leggen het grootste deel op drie tot zes weken.
- Het bewijs over dalende prijzen is gemengd. Studies voor het eurogebied met geaggregeerde gegevens vinden weinig economisch betekenisvolle asymmetrie; een Duitse studie op tankstationniveau vindt een patroon van raketten en veren. De uitkomsten hangen af van land, periode en frequentie van de gegevens.
- De weekgegevens van deze site zijn afzonderlijke episodes. In zes geselecteerde pieken en dalen sinds 2014 (12 vergelijkingen, benzine en diesel) bereikte de EU-prijs vóór belasting zijn piek of dal 11 keer binnen vier weken na Brent in euro en één keer na zeven weken; bredere zoekvensters veranderen sommige daarvan.
Cijfers: EIA (Europe Brent Spot Price FOB, dagelijks; definities; raffinage-opbrengsten), ECB (euro-referentiekoersen; de blog „Van bron tot pomp: hoe brandstofprijzen tot stand komen” van 31 juli 2026; Maandbericht 2/2006; Economisch Bulletin 7/2018 en 4/2022; Occasional Paper 113), Europese Commissie (Wekelijks oliebulletin tot 5 oktober 2026), NIST (SP 811) en de in de tekst gelinkte studies. euroflation is een onafhankelijke tracker en is niet gelieerd aan de EIA, de Europese Commissie, de ECB of de EU. Niets hierin vormt financieel advies. Citaten zijn vertaald uit de Engelse originelen.